De voorsprong van een ‘boutique business school’

Paul1.jpg

Naast zijn dagelijkse managementtaken op AMS reist Decaan Paul Matthyssens de hele wereld rond om les te geven, projecten te adviseren én contacten met andere managementscholen te onderhouden. Gelukkig konden we hem tussen alle werkzaamheden door eens polsen naar zijn visie op managementonderwijs die hij door de jaren heen heeft ontwikkeld. Waar gaan we naar toe als business school?

Paul: Ik ben altijd een zeer praktijkgerichte prof geweest en heb altijd geprobeerd een sterke balans tussen wetenschappelijke diepgang en praktijkrelevantie te houden. Dat heeft zich geuit in het feit dat ik door mijn carrière heen heel veel gedoceerd heb in verschillende business scholen als Erasmus Universiteit Rotterdam, Nijenrode, Maastricht, SIMI (Scandinavian International Management Institute), dat daarna in Copenhagen Business School is opgegaan, Danish Technical University Business School, Hankan Business School in Finland en het Zweedse IFL, wat dan een deel is geworden van Stockholm School of Economics.

Een goede business school reikt volgens mij alternatieve onderbouwde denkkaders aan en geeft executives de nodige bagage om de complexe problemen aan te kunnen. Verder moet een business school inspireren, zelfvertrouwen helpen groeien, principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen bijbrengen, positieve energie ontlokken en een gevoel voor de “waarheid onder de tafel” bijbrengen. Dat is dus een hele opgave. Hoe dichter je bij de executives staat, des te beter je dit proces kan begeleiden. Vandaar mijn overtuiging dat kleinere business scholen in principe meer potentieel hebben om goede managementopleidingen te verstrekken. Brains zijn al langer niet meer voldoende om te groeien in een carrière. Feeling, energie en empathie zijn nodig. Wij moeten managers wapenen om complexe processen op gang te brengen vanuit visie en een evenwichtige persoonlijkheid.

“Hoe dichter je bij de executives staat, hoe beter je hen kan helpen. Daarom hebben kleinere business scholen meer potentieel om goede managementopleidingen te verstrekken.”

Heterogeen aanbod

Er is al jaren kritiek op business scholen en dat is ook terecht, maar uit ervaring kan ik zeggen dat business scholen geen homogene groep vormen. Je hebt business scholen als Copenhagen Business School en Rotterdam School of Management. Dat zijn totaal andere scholen dan een TIAS, Vlerick of Antwerp Management School. Waarom? Die eerste twee scholen zijn typisch overheidsgesubsidieerde scholen. Rotterdam bijvoorbeeld, is als interfaculteit ontstaan tussen de TUDelft en Erasmus Rotterdam en is omgevormd tot een business school. Dat is dus eigenlijk een universiteit, met duizenden bachelor studenten. Dat geldt ook voor Copenhagen Business School. Die hebben een veel grotere schaal dan die tweede groep scholen, maar spelen uiteindelijk wel in dezelfde league.

De tweede groep scholen moet het vooral hebben van executive education. Scholen als AMS hebben relatief weinig fulltime masterstudenten en geen bachelors. Deze scholen moeten ook voor het grootste deel hun geld verdienen op de ‘buitenmarkt’. Binnen die laatste categorie van overwegend executive instellingen heb je dan de grote internationale scholen zoals INSEAD. Die hebben geen masters, maar wel een omzet van meer dan 200 miljoen euro. Dat soort scholen heeft relaties met de grote multinationals en een reputatie en wereldwijd imago hoog te houden.

Topmanagers willen naar dat type scholen vanwege de reputatie, maar de vraag is of het gebrek aan lokale content niet problematisch is. Het is eerder een elitair gebeuren vanuit een ‘one size fits all-filosofie. Dat zijn dus als het ware grote global companies en wij zitten als kleinere school in het middelgrote segment. De grootte van je school heeft natuurlijk allerlei implicaties voor de kracht die je hebt in de media. Maar ondanks dat spelen de kleinere scholen zeker mee op de lokale en internationale markt van executive education. We moeten ons dan natuurlijk wel differentiëren en het gebrek aan marketingkracht tegenover de grote scholen compenseren met persoonlijke benadering, een sterk regionaal netwerk en lokale relevantie.

 

“Er is al jaren kritiek op business scholen en dat is ook terecht, maar business scholen zijn geen homogene groep. Kleinere scholen hebben vaak meer lokale en maatschappelijke relevantie.”

 

Kritiek op managementonderwijs

Op wie is de kritiek op business schools dan vooral gericht? Ik denk dat het vooral gericht is op de grotere business scholen die veel onderzoekers in huis hebben en daardoor een soort faculteit vormen. Dat soort scholen vinden we vooral terug in Amerika. Ze hebben een grote staff die onderzoek doet en publiceert. Zij hebben al heel vaak crises niet zien aankomen, ze kijken de andere kant op als het gaat over gevaarlijke standpunten innemen tegen het bedrijfsleven en eten uit de hand van de multinationals.

Die business scholen hebben veel te veel te verliezen om daar tegenin te gaan. Onderzoek dat zij voeren is niet altijd relevant voor het bedrijfsleven, maar mikt op de puur wetenschappelijke tijdschriften die de ranking van de Financial Times bepalen. Dat soort onderzoek heeft geen directe relevantie voor managers. Men kan zich de vraag stellen of er wel oplossingen in staan voor de praktijkproblemen waarmee executives in de publieke en privésector geconfronteerd worden. De tijdschriften zijn ook zeer traditioneel. Daardoor heerst er heel veel conformiteit en focust iedereen op dezelfde topics die in deze academische tijdschriften populair zijn. Als je met een totaal nieuw baanbrekend onderzoek komt, heb je heel veel last om dat gepubliceerd te krijgen.

 

“De grote business schools hebben al vaak crises niet zien aankomen. Onderzoek dat zij voeren is vaak irrelevant voor het bedrijfsleven.”

 

Daarnaast is het zo dat als ze kritiek op het bedrijfsleven zouden geven, ze in hun eigen vel snijden. Dus zelfs al is het duidelijk dat er allerlei irrationele processen plaatsvinden, zoals machtsspel, kuddegedrag, ondeugdelijk bestuur en dergelijke, doen de meeste business schools daar heel weinig aan.

 

Rankings

Door de rankings speelt iedereen hetzelfde spel en dat is vooral voor de kleinere scholen nadelig, omdat ze op dezelfde manier worden beoordeeld als de grotere scholen en die laatsten hebben bovendien de spelregels uitgewerkt. Er zijn ondertussen wel wat bewegingen op gang gekomen, zoals PRME. Dat is een initiatief van business scholen, die zegt: “Je moet responsible management nastreven.” Maar in die optiek zou de Financial Times ranking ook moeten veranderen. Want die ranking wordt voor de EMBA voor 40 procent bepaald door de loonstijging van de afgestudeerden drie jaar na afstuderen. Dat is een zeer eenzijdige, ouderwetse benadering van carrières die niet past in een moderne visie op sustainable careers. Je zou bijna een andere ranking moeten hanteren, maar die heeft dan geen geloofwaardigheid. Kleinere scholen moeten wat eigenzinnig zijn en hun eigen project uitwerken. Wij focussen ons op verantwoord management, evenwichtige carrières en het bekwaam zijn om transformaties te omarmen.

"Wil je alleen geld, ga dan in die topschool je getuigschrift halen, wil je een evenwichtige carrière met oog voor de wereld, kom dan hier!”

Als kleinere school moet je volgens mij toch vooral je eigen identiteit opbouwen. Je moet durven zeggen: “Ga je voor dat grote label van die topschool op je LinkedIn pagina, ga dan, maar zoek je lokale relevantie en diepgang kom dan hier”. Of nog: “Wil je alleen geld, ga dan in die topschool je getuigschrift halen, wil je een evenwichtige carrière met oog voor de wereld, kom dan hier!”

 

Boutique business schools

Tegen al die hevige concurrentie kunnen kleinere business schools hun service en nabijheid aan de deelnemers en stakeholders uitspelen. Vraag is uiteraard wat de minimumschaal is die een kleinere management school als Antwerp Management School moet hebben om zelfstandig te kunnen blijven, mede in het licht van noodzakelijke investeringen in technologie. We zijn er met de Raad van Bestuur van overtuigd dat AMS een mooie toekomst heeft als zelfstandige school.

Vergelijk het met hotels: ook een klein hotel hoeft niet in een keten op te gaan, als je maar een hele goede service, een goede ligging en een eigen verhaal hebt. Als je zoekt naar de most beautiful hotels of the world, dan zie je allemaal hotels die hun eigen karakter hebben en vrij klein zijn. Je ziet nogal eens samenwerkingsverbanden ontstaan tussen dergelijke hotels die met elkaar samen een catalogus maken, informatie uitwisselen en een website met een gemeenschappelijk reservatiesysteem delen. Op die manier overstijgen ze hun kleinheid, terwijl ze hun zelfstandigheid behouden. Ik wil graag zo’n Europees netwerk creëren voor kleinere business scholen.

 

Verenigde Staten versus Europa

In Europa zoeken we meer naar de maatschappelijke relevantie. Wij gaan ook dieper in op development en leadership, career development en self-awareness. Prof. dr. Ans De Vos doet dat bijvoorbeeld in onze masters, maar ook in de executive masters kan dit voor een groot stuk worden teruggevonden. Die nadruk is typisch voor Europa: het meer onzichtbare in zowel mens als bedrijf bespreekbaar maken. Wij zijn bezig met touching souls terwijl de Amerikaanse business schools focussen op een frame met wonder tools. Zij hebben een tool voor alles: als je een bepaald probleem hebt, moet je die procedure volgen. Daar worden ze vaak – terecht – op bekritiseerd. Dat is zo ongenuanceerd als het kan zijn. Dat kader zit ook binnen een top down visie. Iedereen is dom en de manager heeft zijn MBA gedaan en die weet: dit is “box nummer 26” en dan wordt het opgelost. Dat is een beetje de Amerikaanse business school, in Europa is het meer opening minds, leren kritisch denken, en met oog voor de work-life balance.

 

“In Europa zijn we kritischer en zoeken we meer naar de maatschappelijke relevantie”

 

In de USA zijn de verschillende expertises nog veel meer opgedeeld. Wij hebben nog meer dat holistische aspect. Dat aspect was vroeger niet belangrijk, maar wordt volgens mij nu wel een troefkaart.

 

Wicked problems

Neem nu het voorbeeld van urbanisatie. Je kan dat niet oplossen met een specialisme. Dat is zo een probleem dat als je iets probeert op te lossen, je een ander probleem creëert: een wicked problem. Een stad moet aantrekkelijk zijn om talent aan te trekken, maar wanneer een stad aantrekkelijk is, trek je ook andere mensen aan. Zulke grote steden zijn moeilijk om te runnen, denk maar aan Shanghai met 27 miljoen mensen.

 

“In de toekomst zullen we meer holistisch en multidisciplinair gaan werken”

 

We proberen daar als business school een kleine rol in te spelen. Die problematiek is zodanig groot dat je daar sowieso multidisciplinair op moet werken. Geen enkele urbanoloog of planoloog kan dat alleen oplossen. Je hebt veel specialiteiten samen nodig. Een grote universiteit heeft dat allemaal in huis. En dan hangt het nog van de stad af. Want je moet ook nog een stad hebben waar die multiculturaliteit, die diversiteit, kortom, die aantrekkingskrachten zijn. Dan is de stad het laboratorium voor jouw school, zo ziet ook Herman Van Goethem dat, de nieuwe rector van UAntwerpen.

Een business school heeft dat niet allemaal in huis. Wij kunnen daar een rol in spelen, maar dan moeten we samenwerken met andere partijen, met UAntwerpen hier en met andere onderzoeksinstelling in andere steden. Dat is waarom de toekomst meer holistisch, meer multidisciplinair wordt. ‘Ik ben specialist in het specialisme van het specialisme’ is denk ik nog goed voor bepaalde medische wetenschappelijke domeinen.

 

Netwerkmobilisator

Ik wil dat we over een paar jaar in ieder geval bekend zijn voor maatschappelijke relevantie, maar daar focussen we ons ook heel erg op. We moeten als network mobilizer kunnen functioneren. Dat je als organisatie kan zorgen dat verschillende partijen samen creatief en doelgericht wicked problems oplossen. Ik denk dat we daar redelijk goed zitten, we zijn een vrij open collaborative, zoals men in het Engels zegt.

Intern zijn we aan een aantal processen aan het werken waardoor we een professionelere organisatie worden. We moeten echt de next generation maken. De energie moet je kunnen voelen wanneer je binnenstapt: de eagerness en customer friendly attitude. Die energie krijgen wij dagelijks ook van onze studenten. Een business school runnen, mooi toch?

Herken jij je in deze visie? Wil je kennismaken? Kom dan naar onze Inspiration Day op 25 maart!

Reacties